'de Franse Verleiding'
Nederlanders op reis naar het zuiden

"De mimosa bloeit"

De Nederlandse kunstenaarskolonie in Cagnes-sur-Mer

door
Paul Arnoldussen
\ \

De eerste bekende kunstenaar die in Cagnes sur Mer vlakbij Nice neerstreek, was niemand minder dan Renoir. Ook veel artistieke types uit Amsterdam zochten hun heil in het landelijke Zuid-Franse dorp, met zijn citroenbomen en artisjokken, zijn kroegjes en poortjes.

Schrijver Ab Visser ging in 1951 voor de vierde keer naar Cagnes sur Mer en deed in het tijdschrift Mandril verslag: 'Soms vraag ik mij af hoe Cagnes er over enkele jaren zal uitzien. Zal dan het artistendorp totaal van karakter zijn veranderd en een chic toeristendorp zijn geworden? (...) Zullen, als het zo ver is, er dure hotels en onbetaalbare restaurants in en om Cagnes verrijzen? Zal Cagnes mondain worden? Wie zal het zeggen. Maar het zou heel jammer zijn.'

Het is gegaan zoals Ab Visser vreesde. Het dorp, een kilometer of tien van Nice, is een kostbare toeristenkermis. En het is uitgedijd met snelwegen en flats, gegroeid van vierduizend inwoners voor de oorlog tot 44.000 nu. Nog in 1958 schreef Sem Presser in Wandelingen langs de Riviera dat kunstenaarsdorpen in Zuid-Frankrijk in de zomer niet op hun voordeligst zijn, 'met de honderden nieuwsgierigen die de schilderkolonies komen bezichtigen'. Maar er was nog iets van authenticiteit. De kroegjes bijvoorbeeld. 'In de winter worden zij gevuld door de schilderskolonie, die er lange zittingen houdt, de problemen van het leven wegpraat en geen frank verteert. In de zomer komen er de relatief rijke Engelsen en Amerikanen (en Zweden!), die de krakende motor van het schildersleven olien met pecunaire injecties. Dan laten de kunstenaars zich met borreltjes omkopen om hun boheme-leven te projecteren en verzamelen zij moed voor de barre geldloze winter.'

Maar goed, Cagnes bestaat nog. En in l'Haut de Cagnes, het middeleeuwse dorp op de heuvel dat niet voor niets 'het Montmartre van het zuiden' dan wel 'Montparnasse en vacances' wordt genoemd, valt nog heel wat nostalgisch te mijmeren.

Het dorp kwam in de de mode dankzij Auguste Renoir (1841-1919), die in 1907 Domaine des Colettes kocht, een aardig landgoed omgeven door olijfbomen. Hij liet er een eigen huis bouwen. Behoefte aan bezoek had hij niet zo, hij leed aan reumatische pijnen, maar dat bezoek kwam toch; vrienden en bewonderaars. En in hun kielzog volgden velen: Modgliani, Cezanne, Chaim Soutine, Simenon, de zanger Mouloudji en de zangeres Suzy Solidor - maar die kwam pas in de jaren zestig en is van belang omdat haar galerie/antiekwinkel nog steeds bestaat en haar kunstverzameling in het kasteel is ondergebracht.

"Renoir ontving niemand,maar hij bracht zonder het te weten en te willen, dit vriendelijke dorp, dat als een andelaarsnest op een heuvel zit geplakt, in de mode. Artisten uit alle delen van Europa ontdekten de charme en de schoonheid van deze bergtoppen, waar het leven zachtaardig en goedkoop is. Zij kochten er voor winig geld vervallen huizen, knapten die op en vestigden zich er. Zo ontstonden die curieuze kunstenaarsdorpen, waar men in de oude en gezellige straatjes te midden van de plaatselijke bewoners de wonderlijkste figuren kan ontmoeten." Uit: De Franse Rivièra van Marseille tot Menton, Foto's van Cas Oorthuys - Tekst van Jan Brusse, Uitgeverij Contact-Amsterdam - Antwerpen, 1954.

En er kwamen Nederlanders. Een van de eersten was de bekende Charles Eyck, en de veel minder bekende Frits Klein. Frits Klein (1898-1990), die zich in Frankrijk Fred noemde omdat Frits te Duits klonk, kwam in 1926. Een zonnige schilder. veel kleur, veel circuspaarden, nu en dan een clown, strand- en boulevardgezichten. Geen diepe emoties, geen weidse visies; decoratief werk maakte hij. 'Een vleugje Franse parfum,' schreef criticus R.E. Penning in de Haagsche Courant, en dat was niet echt complimenteus bedoeld. 'Met mij is nooit eens iets gebeurd,' mompelde Klein wel eens. Dat nu was onzin. Frits Klein werd geboren op Java. Geld genoeg, vooral bij zijn grootouders. 'Je werd vervoerd in draagstoelen. Javaanse bedienden waren er natuulijk zoveel je wilde. Elke ochtend ging ik samen met mijn grootvader zwemmen. Toen we op een keer bij het piscine aankwamen, bleek er een tijger in te zwemmen. Grootvader haalde een geweer en schoot het beest dood.' Klein verhuisde naar Apeldoorn - hij moest in Nederland naar school - en kwam in aanraking met de kunstminnende familie Wegerif. Die familie had oog voor handel: voor 150 gulden wisten ze twee Van Goghjes op de kop te tikken. Frits wist dat hij kunstenaar wilde worden en vertrok in 1920 naar Parijs. Ook mevrouw Wegerif zat in de trein; zij werd afgehaald door de vrouw van Kees van Dongen, en zo waren voor Frits de contacten snel gelegd. Hij kon terecht in het huis aan de Rue de Depart, waar ook Mondriaan een atelier had.

In 1925 maakte hij een reis door Zuid-Frankrijk en hij raakte opgetogen over de stralende hemel, de zon en de citroenen - de kleuren van zijn jeugd. Een jaar later kocht hij voor 2750 franc een veertiende-eeuwse ruine, La Goulette, die hij, vertelde hij aan Hans Verhagen in 1988, opknapte tot woning annex atelier. Hij trouwde met Marie Raymond, het echtpaar kreeg in 1928 een zoon, Yves. Frits Klein werd 'de schilder van het licht', hij had succes. In Cagnes bracht hij het tot president de la societe des beaux arts. Hij woonde vlak bij Pierre Bonnard, die hij enorm bewonderde . Maar op bezoek ging hij er niet. 'Wat moet je nou tegen zo'n man zeggen? Van iedereen hoort hij de hele dag al dat z'n werk zo mooi is.' Kort voor de oorlog ging het gezin weer naar Parijs. Wat daar later gebeurde, beschreef criticus Charles Wentinck - die woont, hoogbejaard, nog steeds in Zuid-Frankrijk - in nogal barok proza in 1960 in Elsevier. De abstracten kwamen, het werk van Klein raakte minder gewild. 'In het atelier van Frits Klein deed de armoede haar intrede.'

"Cagnes, vroeger kunstenaarsoord bij uitnemendheid, heeft langzamerhand een ongunstige klank gekregen. 'Maar waarom eigenlijk?' vraagt een van de twee schilderessen, Pluim en Bosch van Drakenstein, die we in hun huis in de Montée de la Bourgade bezoeken.
'Nou, me dunkt", zeg ik, 'toen ik hier vroeger logeerde, kon ik al niet in slaap komen door het lawaai van Jimmy's Bar. En nu schrokken we bepaald toen we op de Place du Château kwamen. Aan de overkant nog zo'n gelegenheid, en een kelder is er bij gekomen en je kunt er nauwelijks doorkomen van de auto's. Nee, het is al net zo'n geëxploiteerde geschiedenis als Eze en Saint-Paul.'
'Kom', zegt Pluim,'je moet er waarschijnlijk in zitten om dat niet erg te vinden. Is het hier niet verrukkelijk?'

Uit: Nico Jesse / Jaap Romijn, De Franse Riviera, A.W. Bruna Zoon / Utrecht / 1956.

Totdat Marie Raymond zelf met de penselen aan de gang ging. Zij had succes. 'Vanaf dat moment keerde Marie Klein de huishouding de rug toe. Zij nam bezit van het atelier en vulde lege doeken met haar abstracte composities, en zelfs werden de onverkoopbare paardjes overgeschilderd en gemetamorfoseerd. (...) Frits Klein moest zijn toevlucht zoeken tot de keuken, zijn atelier stond voortaan ter beschikking van de grote en beroemde kunstenares Marie Raymond.
' En toen ook de belangstelling voor haar werk taande, kwam zoon Yves, houder van een jiu-jitsuschool aan de Boulevard Raspail, in de belangstelling. 'Wellicht geinspireerd door het succes van zijn moeder betrad hij een behang- en verfwinkel.' Daar kocht hij een verfrol en een pot blauwe verf. 'Met deze twee aanwinsten sloot hij zich op in het atelier waar de bedrijvigheid aanzienlijk teruggelopen was. Hij nam een doek, doopte zijn rol in de blauwe verf en rolde het stuk linnen egaal blauw.' Het was het begin van een legendarische avant-gardist, die met zijn performances met naakte, in blauwe verf gehulde modellen Parijs deed opschrikken. Frits Klein later tegen Bibeb: 'Als het niet mijn zoon was geweest, had ik het gewoon een leuke grap gevonden, maar het was mijn zoon, dus probeerde ik zijn werk te begrijpen. Ik ben er nog niet achter.' Yves stierf jong, in 1963.

Met Frits Klein kwam het toch nog wel goed. Hj hertrouwde in 1960, de prijzen voor zijn werk stegen weer, op zijn tachtigste had hij een overzichtstentoonstelling in het Van Goghmuseum, op zijn negentigste in het Haagse Pulchri. Hoe sta je tegenover de abstracte kunst, vroeg Henri Sandberg van Het Vaderland in 1965. Klein antwoordde: 'Ik sta er helemaal niet tegenover. Ik doe er niet aan mee.' C.J. Kelk heeft Klein in Cagnes vaak ontmoet, zoon Yves vond hij 'een leuke bengel'. Kelk heeft over de vrienschap geschreven, helaas is dat stuk, bedoeld voor een nooit verschenen boek over Klein, onvindbaar.

"op de borrel in Cagnes (Jupp Winter)", Uit: Sem Presser, Wandelingen langs de Riviera, 1958.

Kees Kelk (1901-1981), nu een bijna vergeten dichter, romancier, bloemlezer, biograaf (van Slauerhoff en Jan Steen), vertaler en criticus van De Groene, verbleef vanaf 1935 langdurig in Cagnes. Hij was getrouwd met danseres Suzie van Hall, zuster van beeldhouwer Frits van Hall, die geregeld in het huis Le Columbier bivakkeerde en hem enthousiast had gemaakt voor het zuiden. Geld verdiende Kelk met schrijven, vertalen en een contractje met de Provinciale Overijsselse en Zwolsche Courant. In 1935 huurden Kees en Suzie het huis Le Perchoir in de Rue Ste. Anne. En de vrienden wisten hen al snel te vinden. Op 6 augustus 1935 nodigden ze de dichter Dop Bles en zijn vrouw uit. Suzie schrijft: 'Neem niet te veel kleren mee, vooral Dop niet, want die zal wel beginnen met hier een broek en touwschoenen te kopen, dat doet iedereen.' 'Alles trekt hierheen, wij vormen blijkbaar een klein magnetisch centrum voor allen die belast en beladen zijn,' schrijven ze hun vrienden Gerda en Joop Greeve. In 1936 lezen die: 'Ik heb hier een kameraad getroffen, Brandligt, hij werkt bij de Deventer Courant, is getrouwd en woont in het huisje vlakbij, met de palm. We gaan prettig met elkaar om en delen onze armoe in een tijd van laagconjunctuur.' Brandligt schreef in zijn huisje Le Palmier een aantal romans, waarvan Concubinaat opviel. Dat had natuurlijk met het thema te maken.

De kolonie was soms fors. Frits van Hall en zijn vrouw verbleven geregeld in Cagnes, journalist Mik van Gilse, historicus Jacques Presser, Jantine van Klooster, uitgever van De Spieghel, waarvoor Kelk ook werkte, Mathilde Visser, die later kunstcritica zou worden bij De Waarheid en Het Financieele Dagblad. Een radicaal links milieu: elke zaterdag kwam het gezelschap bijeen en dan luisterden ze bij Brandligt naar Brechts Dreigroschenoper.

De oorlog trok zware sporen in het gezelschap. Het verzet kostte Brandligt, Van Gilse, Van Hall, Van Klooster en de vrouw van Presser het leven. Kelk zelf was ook wel links, maar iets minder een politiek dier: 'We hebben hier geen gesprekstof van crisis of anderszins,' schreef hij in 1935 aan de Greeves. Aan Jan Greshoff schrijven ze in 1937 dat ze met ongeduld wachten op het ogenblik dat ze zich 'als verleden jaar tot 1 november, in zee kunnen werpen'. In de winter woont het echtpaar Kelk in Parijs, maar daar verlangen ze naar het landelijke, pittoreske Cagnes: 'Bovendien weet ik maar al te goed, wat ik er ook des winters mis. In januari bloeien de amandelen alweer, moet je denken. Of ik erbij ben of niet.'
In 1938 hebben de Kelken een ander huisje, La Sarrazine in de Rue Sous Barri, en in 1939, Kees' laatste Cagnes-jaar, is het Lou Cantareo in de Rue de Planastel. Maar dan is er veel veranderd. De vrienden hadden die winter te horen gekregen dat Kees en Suzie in alle harmonie uit elkaar waren gegaan; Suzie, die in Parijs een dansstudio had, wilde haar eigen weg gaan, meer optreden, op tournee. De waarheid lag iets anders. In Parijs was een au pair aangenomen, Fanny de Jong. Een aantrekkelijk meisje, vond Kees. En in 1939 waren ze getrouwd en schreef Kees: 'Fanny verzorgt de tuin en ik sta werkzaam toe te kijken. Er is een keuken en badhokje, wc achter in de tuin, beneden slapen wij en hebben we tafels en stoelen.' Die tuin leverde veel: 'sinaasappelen, citroenen, perziken, artichaux (artisjokken dus), sla en dergelijke.'

In het atelier van de schilderessen Pluim en Bosch van Drakenstein, Uit: Nico Jesse en Jaap Romijn. De Franse Riviera. 1956.

Aan uitgever Alexander Stols schrijft hij dat jaar dat Cagnes meer en meer een oord van Nederlandse schrijvers wordt. 'Als vaste mensen zit hier een viertal - tijdelijke duiken regelmatig op. De Ver. Ned. Letterkunde kan wel een afdeelinkje Cagnes oprichten.' Kelk doelt op zichzelf en Brandligt, en op Elisabeth de Meyier, schrijfster van Vreemdelingen die afreizen, dat in Frankrijk speelt, en Jonas met sterretjes, maar overigens in vergetelheid geraakt. Over de vierde tasten we in het duister. Misschien doelde hij op schrijfster/vertaalster Jacoba van Velde - haar broer, de kunstschilder Geer, was er ook, in de oorlog - of misschien ook op Havank. In 1971 haalt Mathilde Visser in een brief aan Kees en zijn derde vrouw Eka Thoden van Velzen herinneringen op: 'Ik weet nog het huis in Cagnes dat ik na de oorlog weer trachtte te vinden, ergens achter een poortje. Maar er waren zo veel poortjes en zo veel eendere huizen, zodat ik het niet meer heb herkend.' Fanny Kelk werd later kunstcritica van Het Parool. Ook Suzie van Hall overleefde de oorlog.

Tussen de correspondentie van Kees Kelk, te vinden in het Letterkundig Museum, zit ook een envelopje gericht aan het echtpaar Greeve, met gedroogde mimosa. Het is meer dan zestig jaar vrijwel onaangeroerd, ik maakte het envelopje open in de hoop nog iets te ruiken uit het Cagnes van de jaren dertig. IJdele hoop, geurloze blaadjes. Die mimosa is voor veel Nederlanders bijna een symbool voor Cagnes; Ab Visser zette boven een reisverslagje in tijdschrift De Spiegel de kop 'Waar viermaal in 't jaar de mimosa bloeit' en Havank (1904-1964), die eigenlijk Hans van der Kallen heet, schrijft in een brief uit 1952: 'En nu zet ik de ramen naast mijn schrijftafel open, want na een regenachtige ochtend (een uitzondering) straalt nu weer de zon. De mimosa bloeit, en de appelsienen rijpen en de citroenen worden geel. De bergen in de verte zijn verblindend wit tegen de strakblauwe lucht en de poes van de buren krijgt een kan water naar d'r kop als ze nog een keer jankt.'

Hans van der Kallen, oftwel Havank, in Cagnes. (Foto: Sem Presser / MAI).

Havank verbleef toen, weten we van zijn biograaf J.P.M. Passage, in Villa Da Souleou in de Rue du Planastel. Maar voor de oorlog had hij ook al enige tijd in Cagnes gezeten, blijkt uit Havanks boek Hoofden op hol uit 1939. Hoofdfiguur Carlier, bijgenaamd De Schaduw, verblijft in pension-restaurant La Tourelle: 'Bonsoir Monsieur,' zei Claire Maillot, de perfecte gastvrouw - schilderes van La Tourelle. 'Monsieur Carlier vermoed ik? Er is een kamer voor u in gereedheid gebracht.' De kamer 'zag uit over een zeer wijd landschap, over de glooiende tuinen langs de heuvelflank, over stille dennebossen, wijngaarden en een glanzende schijf van blauwe zee. Scherp en zwart stonden de ProvenCaalse bergen tegen de verkoelende avondhemel.' Havanks boeken mogen bol staan van de middelbare-scholierenhumor, zijn stads- en landschapsbeschrijvingen zijn nog erg smakelijk.
En het aardige is: madame Maillot bestond echt en vermoedelijk was ze ook betrokken bij La Tourelle. Sem Presser in zijn boekje Riviera uit de serie Hoe breng ik mijn vakantie door uit 1953: 'Een gezellige kroeg is La Tourelle in de Rue Saint Sebastien. Een maaltijd kost 450 francs en er zijn vier eenvoudige, maar heldere kamers (pensionprijs 1300 francs). U kunt op het terras, met prachtig uitzicht, eten. Vlak naast La Tourelle is het keldertje van Claire Maillot, waar u haar schilderijen kunt zien en die van Jupp Winter, die een van de bekendste en oudst gevestigde schilders van Cagnes is.' Uit Pressers vijf jaar later verschenen Wandelingen langs de Riviera blijkt dat huize Maillot-Winter een trefpunt was van van feestende artiesten. 'Als bij hen in de koele kelderkamer de vrienden genood worden om naar muziek van een doortrekkende troubadour te luisteren, blijft geen weg.'

La Tourelle speelt ook een rol in God in Frankrijk van Ab Visser, later vooral bekend als kenner en schrijver van detectives. Het was het laatste deel van de triologie over zijn alter ego Johan Rutgers, een buitengewoon aardig boek over de kunstenaarskolonie in Cagnes begin jaren vijftig. 'Het was met de vele huizen in Cagnes precies andersom als met de bewoners ervan. Men kon voor een verveloze deur in een bouwvallige gevel staan en denken, dat het onmogelijk veel zaaks was dat zich daarachter verborg, om echter, eenmaal binnen, tot de verheugende ontdekking te komen dat er zich ruime, sfeervolle kamers bevonden en heerlijke terrassen aan de tuinkant. Daarentegen werd men aanstonds geimponeerd door de bewoners met hun zielvolle, doorleefde gezichten en prachtige artistieke koppen, tot men de niet minder verrassende ontdekking deed dat er meestal niets achter schuilging, dat het maskers waren, die een oneindigheid aan ijdelheid camoufleerden.'
Bij het verschijnen van het boek in 1958 vonden veel recensenten zijn meelijwekkende beeld van de artistieke bewoners karikaturaal, bij lezing nu doet de schets nogal realistisch aan. Veel pretentieuze types, die jaloers zijn als iemand een enkel keertje een bescheiden succesje boekt. Veel aanstelleritis. Dominante figuren waren er ook, zoals de lesbische, feesten organiserende Inge Howard, 'zeer aards en vitaal met de autoriteit van hoofdcontroleur'. Zij dreef 'als een enorme luchtbel aan de oppervlakte van het internationale artistenleven, samen met tientallen andere grote en kleine luchtbellen'. Het was sappelen in Cagnes, ook voor Ab Visser. Aan zijn vriend Ferdinand Langen schreef hij kort na de oorlog: 'Verrekt duur is het hier wel. Van wijn drinken is geen sprake. Ontbijt: brood zonder boter. Chocolade zie je nooit. Sigaretten zijn nog op de bon, dat wordt dus zwart kopen en dan begrijp je het wel.'

La Tourelle staat Visser in het boek al een beetje tegen. Hij komt liever in Guido's Bar des Artistes aan de Montee de la Bourgade, waar de dwerg Jojo bedient. Op die Montee is nu Restaurant des Artistes, een uitstekende keuken naar het schijnt, redelijk betaalbaar. Maar het is onwaarschijnlijk dat het dezelfde gelegenheid is. Aan het eind van het boek maakt Rutgers bij Guido een eind aan de vriendschap met de Engelse schrijver/oplichter Tom Towers. De ruzie loopt hoog op, 'tot ik geschrokken stilhield, omdat ik onder tafel in mijn benen gebeten werd. Ik dacht dat het de hond van Guido was, maar toen ik keek, zag ik dat Jojo gehurkt onder de tafel zat. Het lukte hem met deze grap de twist te sussen.' Allemaal echt gebeurd, blijkt uit het uit 1951 daterende verhaal in Mandril. Sterker: volgens dat verslag blafte Jojo er ook nog bij.

In het Ab Visser-cahier nummer acht maakt Hans van Straten duidelijk wie wie is in de sleutelroman. Maar ook de echte namen betekenen weinig meer voor ons. Die Tom Towers blijkt in werkelijheid Charles Maclean te zijn, schrijver van een volgens Van Straten indrukwekkend boek over zijn ervaringen als oorlogsvlieger, The heavens are not too high. En Inge Howard is, aldus Van Straten, de schilderes Rie Pluim. Haar komen we op het spoor, we kennen zelfs haar adres: Montee de la Bourgade 71; Le Gireloup heette het huis. Het is het adres waar nu Restaurant des Artistes gevestigd is. Pluim, geboren in 1913, exposeerde nog wel in Nederland. Kleurig, optimistich, luchtig werk, schreef criticus Prange in Het Parool, 'aantrekkelijke wandversiering'.
Jaap Romein en fotograaf Nico Jesse doen in de reisgids De Franse Riviera uit 1956 verslag van een bezoek aan Rie - ze noemde zich ook wel Ric - Pluim en haar vriendin Magda Bosch van Drakestein. Romein ergert zich aan het opkomende toerisme. 'Kom,' zegt Pluim, 'je moet er waarschijnlijk in zitten om dat niet erg te vinden. Is het hier niet verrukkelijk?' En haar vrien din: 'Cagnes is in de streek eigenlijk het enige kunstenaarsdorp dat nog leeft.' Pluim: 'Het bijzondere van Cagnes blijft toch altijd, dat de oorspronkelijke bevolking en de kunstenaars elkaar zo goed verdragen. Je bent hier frere et compagnon met iedereen. En de toeristen, nu ja, je hoeft ze niet te zien als je niet wilt. En op zichzelf blijft Cagnes een juweel, en de omgeving is heerlijk.' Cagnes kent nog steeds schilders, het museum in het kasteel heeft een aardige collectie, het pand van Renoir is sinds 1960 toegankelijk en in het Maison des Artistes zijn wisselende tentoonstellingen. Daar zullen ook de twee exemplaren van Hoofden op hol liggen - het ene in linnen gebonden, het andere een pocket - die Havank-liefhebber J.M. de Bruijn een paar jaar geleden aan wethouder Renoir (!) van Cagnes aanbood.
In 1956 waren de namen van Kelk en Brandligt bij hun deur nog te lezen. Ik ga maar weer eens kijken, in de stiekeme hoop dat er misschien nog een paar verbleekte letters over zijn.

Paul Arnoldussen

Dit verhaal verscheen eerder in de PS-bijlage van Het Parool als openingsstuk van een artikelenserie over Nederlanders in Zuid-Frankrijk.

© Paul Arnoldussen / Het Parool - 2002.


----------------

Nostalgisch mijmeren? Ongetwijfeld. 'Oud steen' verdwijnt in Frankrijk zelden, de Fransen koesteren hun 'patrimoine', hun erfgoed. Toch hebben de trouwe Frankrijkgangers de afgelopen decennia ingrijpende veranderingen moeten waarnemen. Rond het 'oud steen' verrezen wenig charmante nieuwbouwwijken, de ergste zijn 'les cités' waar begrijpelijkerwijs af en toe de pleuris wel moet uitbreken en 'zônes' vol supermarkt- en andere 'service'-dozen, bakken en kubussen, aaneengeregen door grauw rechttoe-rechtaan asfalt en de onvermijdelijke rotondes.
En zo heeft de inmiddels ook alweer legendarische 'bétonnage' van de Côte d'Azur Cagnes doen opgaan in de agglomeratie van Nice. Ook daar is dus gebouwd en er wordt nog stééds gebouwd. Cagnes ... .

Het appartementencomplex lijkt op voorhand bestemd tot 'destructie' terzijnertijd, maar 'Le Printemps' is weer een staaltje van moderne Franse architectuur die de tand des tijds wel eens zou kunnen weerstaan.

----------

------

--

(His Webmaster's Voice:)
Paul Arnoldussen is meester op de 'historische korte baan'. Hij weet ogenschijnlijke 'faits divers' aan één te rijgen tot inlevenswaardige impressies. Over Cagnes schreef hij veel uitvoeriger. In 2013 publiceerde hij 'Waar de mimosa bloeit - Nederlandse kunstenaars in Cagnes-sur-Mer' (Uitgeverij De Republiek - Amsterdam). Hartverwarmend begint zijn verhaal met:

"Het was in 1955 en het was in Cagnes-sur-Mer. Van dat jaartal ben ik niet zeker en eerlijk gezegd staat het ook niet helemáál vast dat hetCagnes was, maar zo heeft het zich in mijn hoofd vastgezet. In een zinderende hitte liepen mijn moeder, mijn broer en ik door het dorp en ik zag de ruwstenen hizen. Ik realiseerde me dat er lang voor mijngeboorte al mensen hadden gewoond. Mijn eerste historische sensatie."

Meesterlijke openingszinnen die aanzetten tot verder lezen. Arnoldussen publiceerde ook 'Rue d'Amsterdam - Kleine Atlas van Nederlanders in Parijs' (Uitgeverij Bas Lubberhuizen, Amsterdam, 2002). Het verhaalt, weer die 'faits divers'(!), over karakters als Kees van Dongen, Jo Boer,Jacques Gans, Josepha Mendels, de nu vergeten Henri van Leeuwen, Eddy du Perron tot Jan Brusse, Simon Vinkenoog en Willem Frederik Hermans aan toe. Fransen hebben zulke heerlijke benamingen voor relatief korte tijdperken: 'Fin de Siècle', 'la Belle Epoque', 'les Années Folles' en dan ... dan wordt het somber en mankeert hen de juist getroffen benaming en komen niet verder als 'les Années Trentes'. De fijn besnaarde Britse historicus en Frankrijk-kenner Eugen Weber bestempelde die periode, het diepe ongemak duidend, tot 'The Hollow Years'.

Voor reacties, bijdragen en informatie:

info@defranseverleiding.nl

Terug naar de voorpagina van
'de Franse Verleiding'

of

Terug naar de inhouds- oftewel eerste binnenpagina van
'de Franse Verleiding'