'de Franse Verleiding'
Nederlanders op reis naar het zuiden

De aanleg van het fantastisch netwerk van autoroutes in Franrijk is een waar hedendaags epos, en oude Michelinkaarten hebben de voortgang daarvan vastgelegd. Hierboven een fragment van de Michelinkaart 'France Sud - grandes routes' uit 1967: de Autoroute du Soleil 'was 'en construction'.
In dat jaar kwam trouwens de autoroute Lille - Parijs gereed. Hieronder een luchtfoto van de autoroute tussen Lille en Douai. Enkele jaren later, eind 1970, kon het traject Lille - Marseille over één aangesloten autoroute worden afgelegd. (Coll. 'dFV')

Voor reacties, bijdragen en
informatie: info@defranseverleiding.nl

Terug naar de hoofdpagina van
'de Franse Verleiding'

Met de Kever naar de Provence - 1967

door Paul Weusten

Vroegah, zeg maar zo'n veertig jaar geleden ging ik met mijn ouders op vakantie naar Frankrijk. We woonden in Sittard en vertrokken in alle vroegte met de oude blauwe Volkswagenkever, nou ja hij was toen nieuw, richting Luik en er werd in de auto hardop, als goede katholieken, gebeden dat de reis maar goed zou gaan. Dat hielp, want bij Marche begon het mistig te worden. Bij Bouillon gingen we de grens over en in Sedan werd koffie gedronken en daar scheen de zon. Doorrijden maar weer.. Verdun, Bar-le-Duc, Chaumont, Langres. En dan was het eind van de middag en moest er ergens een hotel gezocht worden. Liefst in een dorpje. Mijn vader stapte dan uit en liep eerst naar de menukaart buiten het hotel om die te bestuderen. Als hij gelijk terugkwam, zei hij... laten we nog maar even doorrijden. Als hij het hotel naar binnen ging, was de kans groter dat dit wel eens een overnachtingsplaats kon worden. Mijn moeder moest dan ook nog komen keuren, maar dat was een formaliteit.

En verder reden we weer.. over de kaarsrechte wegen in midden-Frankrijk. Heuvels die je met een aanloop nam en als je er dan overheen ging kreeg je zo’n speeltuin-schommelgevoel in je maag. Links en rechts enorme graanakkers en bloedwarm in die kever. Op vakantie rolde mijn vader altijd de mouwen van zijn overhemd omhoog en na zo’n dag in de auto was zijn linkerarm bloedrood. De N74 richting Beaune, daar begonnen de driebaanswegen, met drie rijstroken en onderbroken strepen. De bedoeling was dat als je inhaalde er niet iemand van de tegenliggers tegelijkertijd op hetzelfde idee kwam. Het ging vaak maar net goed en van de zenuwen rookte mijn vader de ene na de andere Golden Fiction. Toch haalden we die tweede dag Macon en door het afzien werd er afgezien van het zoeken naar een hotel in een dorpje. Dit keer dan maar aan de Boulevard in Mâcon. Door de warmte rook het in het hotel naar iets van kattepis, weet het niet, heb die lucht nog steeds in mijn neus.

Mâcon, zuidelijke stad in de Bourgogne, daarna begint de Beaujolais. Mijn vader was niet een echte wijnkenner, maar wilde toch graag onderweg wat betere rode wijn kopen. De grote jongens van de Bourgogne waren we al gepasseerd. Die vond hij trouwens te duur, dus gingen we ten zuiden van Mâcon even naar rechts, stopten bij een wijnhuis en toen maakte hij een blunder. Hij wilde namelijk een goede rode Mâcon-villages proeven. Dat was een belediging. Top is daar wit. Enfin, hij liet zich niet kennen en er werd een carton met drie flessen rode Mâcon-villages gekocht. Er zat handig een handvat aan. Het kofferdeksel van de auto werd geopend en het carton kreeg een plaatsje. Nou zit het kofferdeksel van een Kever aan de voorkant onder de motorkap terwijl de motor…nou ja. We gingen verder en er werd opvallend weinig gepraat in de auto, maar misschien kwam dat wel omdat er op de Michelinkaart werd aangegeven dat er vlak voor Lyon een tunnel kwam van wel 2 kilometer.

De ingang van de tunnel voor Lyon was een hoge toren voor een enorme rotswand. Je kon geen kant op, je moest er wel doorheen. Oranje neonlampen, maar toch donker en eindelijk kwam je dan in het volle licht midden in de stad uit. Een wonder en wat een drukte! De Saône vonden we al breed, maar de Rhône deed er nog een schepje bovenop. Andere wereld, nieuwe kleuren, we hadden het gevoel dat we nu echt op vakantie waren. Het werd heuvelachtiger, langs de weg stonden borden met: Karawane langsamer fahren. Nou die hadden we niet, wel een imperiaal met twee zware koffers, die de Kever nogal topzwaar maakte. De borden stonden er niet voor niks, want we hadden regelmatig alle tijd om de ravage van zo’n verongelukte caravan langdurig te bestuderen. Daar zorgde de file wel voor. Het werd warmer en warmer. Aparte geuren. Bij Montélimar leek het wel alsof je langs de kermiskramen reed. Een en al nougat in de lucht. Amandel, zoet …. weeïg.

Bij Orange gingen we richting Carpentras en nadat mijn vader in verschillende dorpjes de menukaarten had afgekeurd, kwamen we terecht in Fontaine de Vaucluse. Groen, water en een bijzondere bron. Terras boven een riviertje. Aangenaam heerlijk. De volgende dag malheur. Mijn vader was door de hectiek van de afgelopen dagen oververmoeid geraakt en kreeg, om het in mooi Duits te zeggen, een Durchschlag. Nou, mooi was anders, dokter erbij. De boodschap was een paar dagen rust en een recept, waarmee ik naar de pharmacie gestuurd werd. Enfin, daar sta je dan voor zo’n Franse rateljuffrouw, ik kon er echt geen chocola van maken. Toen ik vroeg: “do you speak English?”, begon ze me in een nog rapper tempo vloeiend Engels te praten! Helemaal de kluts kwijt, ik dus. Heb me er uiteindelijk uit weten te redden, maar vraag niet hoe.

Na een dag rust, had mijn vader het eigenlijk wel gezien. Ik bedoel, hij vermande zich. Wij zaten in het Parc Régional du Lubéron en lieten ons leiden door de Michelinkaart 1:200.000. De wegen met een groene lijn ernaast op de kaart waren interessant, een parcours pittoresque. Gordes, met zijn kasteel en kerk op een heuvel, kaal, dor, geel, wit in de warme zon. Mooi om te zien, maar eigenlijk vonden we dit landschap toch te ruig. Verder zuidwaarts naar de zee dan maar? Nou nee, als Limburgse mergellandbewoners hadden we niets met water. De keuze om noordelijker te gaan, was een logische. Een ding was vervelend. Iets ten zuiden van Orange ligt namelijk Châteauneuf-du-Pape en daar hebben ze prima rode wijn. In de haast waren we er op de heenweg vlak langs gereden. Tijdens de rustdag realiseerde mijn vader zich dat daar een carton met drie flessen gekocht moest worden! Dus werd er eerst terug gereden

Het protocol van iedere dag was: ontbijten in het hotel, koffers op de imperiaal, betalen en wegrijden. Eind van de ochtend stopten we in een plaatsje om stokbrood, paté, kaas, yoghurtjes en fruit te kopen. Dit keer in Beaumes-de-Venise. In een cave werd en passant een glas heerlijke zoete koele muscat-wijn gedronken. Aparte rechthoekige platte fles. Een schaduwplek werd gezocht en de tafel met stoeltjes uit dé Keverkofferbak gehaald. Heerlijk dat verse spul allemaal. Op het heetst van de dag arriveerden we in Châteauneuf-du-Pape. Een dorpje van niks, maar wel een grote ruïne van een oud pauselijk paleis. Op het pleintje hing een tableau met de verschillende wijndomeinen erop. Wat is dan wijsheid om te kiezen? Als trouw katholiek, ging mijn vader voor de Cuvée du Vatican. Lekker koel in de cave en ruim geproefd. Het werden zelfs 2 cartons, die ook weer een plaatsje kregen onder het kofferdeksel. Ik schat dat de temperatuur daar toch minstens zo’n zestig graden was. Buiten was het inmiddels vijfendertig graden. Met ineens lome benen en een beetje duizelig in het hoofd gingen we op een bankje zitten onder de bomen. Best wel zware wijn, zo’n Châteauneuf-du-Pape.

Toen het verantwoord was om weer in de Kever te gaan zitten, reden we langs dorpjes met prachtige namen: Vacqueyras, Gigondas, Sablet, Séguret en met ook mooie wijnen trouwens. Maar nu even niet. We kwamen in Vaison-la-Romaine, midden in de Provence. Een wat grotere plaats. Romeinse invloeden, zoals een verkleinde uitvoering van het Forum Romanum. Grappig, het leek wel nep maar was het niet. Een keer per week een grote regionale markt. Alle straten in het centrum bomvol met kramen, maar ook zeilen op de grond met de vreemdste spullen. Heb daar moeren, bouten en keukengerei bestudeerd, waar ik me nu nog van afvraag waar ze in godsnaam voor dienden. Rare lui die Fransen. Her en der stond een HY-Citroënbus met een kachelpijp uit het dak. Op de klep stond iets van Pizza au Feu Bois. In ieder geval rook het daar bij die HY’s heerlijk. Vanuit het hotelkamerraam had je uitzicht op een eenzame grote berg. Bovenop stond een witte toren met een mast. Volgens de kaart moest dat toch wel de Mont Ventoux zijn. Bijna 2000meter hoog en er liep een “groene” weg over heen. Dat kon wel eens een interessante uitdaging voor morgen worden.

De Mont Ventoux ligt daar, excusez le mot, als een tiet in het lieflijke landschap van de Provence. Hoe haar te attaqueren was een discussiepunt. Het werd vanaf de noordkant in Malaucène de D974, omdat we het idee hadden daardoor zo veel mogelijk veilig langs de flanken te kunnen rijden en het zicht op de eventuele enge afgronden mogelijk konden beperken. Een illusie, maar weet dat maar eens van te voren. Loofhout, dennen, struiken, mos en stenen, in die volgorde ging het naar boven. Het leek de aardrijkskundeles wel. Ineens kwam de enorme witte toren in zicht. Dan ben je boven, over de top en dat geeft altijd een prettig overwinningsgevoel. Het is daar een maanlandschap met alleen maar witte, gele stenen. Een winkeltje waar je een orangina kon kopen en dure ansichtkaarten. Het uitzicht fenomenaal. Wel een heel harde koude wind, de truien moesten er bij aan. Mijn vader niet, die bleef, weliswaar met afgestroopte mouwen, gewoon in zijn overhemd rondlopen. Je kon de Rhône-vallei zien en kijk daar moest ook ergens Châteauneuf-du-Pape liggen. De weg naar beneden tot Bédoin ging een stuk makkelijker. In Nederland bleek dat mijn vader, dankzij zijn overhemd, van deze berg een pleuritis had over gehouden.

De Ouvèze is een vrolijk kabbelend riviertje, stroomt midden door Vaison-la-Romaine. Ergens in de jaren negentig veranderde de Ouvèze, door langdurige hevige regenval in een woeste rivier met voorbij kabbelende tenten, caravans en auto’s van hogerop gelegen, overstroomde campings. Dat schijnt, net als de Mont Ventoux, een indrukwekkend schouwspel te zijn geweest. Maar goed, dat was later. Nu, in 1967 reden we met de Kever langs de Ouvèze door Entrechaux de D13 en verder de D147a. Bij het plaatsje Mérindol-les-Oliviers, what’s in a name, veel olijfgaarden. Middelhoge bomen met een kroon van in het zonlicht schitterende zilverwitte blaadjes. In Buis-les-Baronnies was de olijfoliemolen en in het straatje stond de deur uitnodigend open. Buiten dertig graden en binnen donker. Enorme houten persen en vaten. Schalen met sappige zwarte olijven met Provençaalse kruiden, om te proeven. Gezond en als je er van houdt, ook erg lekker. Het rook er heerlijk. Olijfoliezeep van lindebloesem en ook lavendelzeep kon je er kopen. Lavendel….

Buis-les-Baronnies, alleen al om de naam zou je er willen wonen. Richting Nyons, de D108 over de Col d’Ey, 718 meter, een makkie. En daar begonnen de lavendelvelden. Paarsblauw. Enorme geuren aangewakkerd door de wind, kortom parfum in de vrije natuur. Er is een roman van Patrick Süskind: Het Parfum. Dat gaat over de parfumeur, Jean-Baptiste Grenouille, die een absolute reukzin heeft en daar in zijn doen en laten ge- en misbruik van maakt. Een fascinerend boek! Maar enfin, die wind van de laatste dagen bleek de Mistral te zijn. Een harde wind uit de Alpen, die met wel zo’n 100km per uur over de Rhônevallei raasde. Zelf had ik er niet zoveel last van, maar mijn moeder wel. Hoofddoekjes hielpen niet, ze kreeg migraineachtige hoofdpijn en voelde zich helemaal niet lekker. “Pap”, zei ze tegen mijn vader, ik wil eigenlijk wel naar huis. En als een moeder dat zegt, nou ja, om het niet langer te maken, dat was de vakantie, einde verhaal dus.

© Paul Weusten, 2006.

info@defranseverleiding.nl