'de Franse Verleiding'
Nederlanders op reis naar het zuiden

Sinds mensenheugenis is Frankrijk reisdoel geweest van noorderlingen uit de Lage Landen. De vroegste schaarse sporen van dat reizen dateren, voorzover bekend, van rond 750. Nu is Frankrijk de belangrijkste vakantiebestemming.

'de Franse Verleiding' vertelt het verhaal van het reizen naar Frankrijk.

Het oudste gedrukte document waar
'de Franse Verleiding' over beschikt dateert van vele eeuwen later, een "Wegh-Wyser; Aenwijsende De besonderste vremde vermaecklijckheden die in 't Reysen door Vranckryck en eenige aengrensende landen te sien zijn. Tot nut van al die gheneghen zijn om die landtschappen te besichtigen" uit 1657.

'de Franse Verleiding' beheert duizenden originele documenten, van vroeger tot nu. Het merendeel hiervan is uniek en onvindbaar in Nederlandse en Franse bibliotheken en archieven.

Ook deze vierde editie (april 2010) van 'de Franse Verleiding' wordt weer verrijkt en waar mogelijk verbeterd.

Redacteur-webmaster: Ger Verhoeve

Met bijdragen van o.a.: Paul Arnoldussen, C. Boekhuizen, Elisabeth de Bode-Ruarus, Erik Spaans, Eddy Verbeek en Paul Weusten.

Voor reacties, bijdragen en informatie:
info@defranseverleiding.nl

Verderop, na het onderstaande keuzemenu, volgt een samenvatting van deze rijke geschiedenis.


Lees voor meer historisch detail .....

De Tour de France van Lambert Doomer en Willem Schellinks
1646

De reis van Leiden naar Parijs in
1759

Jacob Muhl in Parijs
1778

Met Adriaan van der Willigen in Parijs en door Frankrijk
(1804 - 1805)

met integrale teksten van zijn reisverslagen

Een vergeten Nederlander die ooit werd bijgezet in het Panthéon
1812

De jaren van Louis Couperus in Nice - 'een witte stad van weelde'
1900 - 1910

Op reis met Michelin
een korte geschiedenis
1886 - 2006

Het Parijs van Leo Faust
1914 - 1946

"De mimosa bloeit"
De Nederlandse kunstenaarskolonie in Cagnes-sur-Mer
1925 - 1960

'Paris vous parle'
Jan Brusse flanerend door het Franse leven
1921-1996

Sneller!!! De reis Amsterdam - Marseille
1764 - 2007


Reisimpressies uit later jaren

onze prachtige reis naar Frankrijk
1927

met de personeelsvereniging naar Parijs
1952

naar Tourrettes-sur-Loup (1950) en Mazerolles (1953)

Met een vleestransportwagen
naar de Hallen
1953

'Soepkommen voor de koffie'
Op de scooter naar de Riviera
1955

met de Kever naar de Provence
1967

dromen op het Canal du Nivernais
1996

politiek toerisme in de Languedoc
april - mei 2007

En terzijnertijd o.a.:

'Dagelijskse aentekeninge van Vincent Laurensz van der Vinne'(1652 - 1655)

"Waarheid door gekheid omsluijerd of wat wordt van Parijs gezegd"
door A. Cramer, 1924

'den ijzeren spoorweg' volgens Jacobus Noorduyn (1836)

'Wat Parijs mij te zien en te denken gaf'
Elise van Calcar, 1859

Het Parijs volgens de Nederlandsche correspondent Louis de Semein (ca. 1875 - 1878)

.... de mijnenheuvels in Noord-Frankrijk (1996)

....de pre-historische Man van Tautavel

....Fontcouverte, een plaatsje van niks


Wilt U ook een bijdrage leveren aan
'de Franse Verleiding'
raadpleeg dan vooral ....

Expositieruimte in Frankrijk of Nederland gezocht

en ook de

'dFV'-zoeklijst


Links naar vroeger, toen en nu


Vers un petit musée

Entrée

Aan het begin van de negentiende eeuw, zo rond 1803, was Parijs voor de weinige Hollanders die 't bezochten nog een bijkans exotisch oord en men deed tal van bijzondere indrukken op. Zo ook Adriaan van der Willigen die een - nu - soms komisch portret van de Franse hoofdstad schreef.

Zijn schets leert niet alleen over Parijs en de Parijzenaars, maar ook over de Nederlandse zeden en gewoonten van toen:

“Het gebruik van de baden, inzonderheid van de warme of laauwe, dient, zoo als men zich verbeeldt, om de gezondheid, en de buigzaamheid der leden te onderhouden of te bevorderen niet alleen, maar ook vooral om het ligchaam te wasschen en te reinigen: bovendien heeft men tot dat einde in de meeste woningen van lieden, die het maar eenigzins doen kunnen, eene soort van stoeltjes, langwerpige smalle potten, waarop men schrijdelings gaat zitten, om op die wijze door middel van spons of anderszins, het onderlijf te reinigen: deze stoeltjes noemt men bidets. De vrouwen vooral maken daar zeer veel gebruik van; en men zou mijns bedunkens wel doen, daar men anders bij ons zoo gereed is, om de Franschen nateäpen, om hen in het wasschen en reinigen van het ligchaam wat meer natevolgen: want immers wasschen de meeste onzer landgenooten, gedurende hun geheele leven, nooit iets anders dan de handen en het hoofd. (Red. dFv). De Franschen verwonderen zich dan ook zeer, dat de anderszins zoo zindelijke Hollanders, in dat opzigt zoo achteloos zijn, en hebben daar op dikwijls niet weinig aantemerken. Een Franschman liet zich daar over ook eens, op eene schimpende en spottende wijze, tegen een’ onzer Landgenooten uit: ‘er bijvoegende, dat het toch onaangenaam moest zijn voor een echtgenoot, dat zijne huisvrouw zeekere deelen van haar ligchaam nooit reinigde, en kreeg daar op ten antwoord: dat in dien de Fransche vrouwen boven de Hollandsche in dit opzigt uitmunten, hij wel verzekerd was, dat de laatste daarentegen, de eerstgenoemde in zedelijke reinigheid ver overtroffen; en dat hij zulks voor een der voornaamste genoegens hield van den Huwelijken-staat.”

Uit: Adriaan van der Willigen, Parijs in den aanvang van den negentiende eeuw. Te Haarlem. Bij A.Loosjes Pz., 1806 (gecensureerd) en 1814 (integraal).

Men kwam terug met vaak bijzondere indrukken, maar ook de heenreis was voor die tijd uitzonderlijk. Adriaan van der Willigen is ongetwijfeld per postkoets naar Parijs gereden, een reis waar in die tijd nog ongeveer een week voor stond.

Zo'n 150 jaar eerder was het allemaal nog veel moeizamer. In 1646, op reis naar Frankrijk, had de jonge schilder Willem Schellinks pech. Het was in die tijd namelijk gebruikelijk om de tocht over zee te maken en Schellinks was vanuit Amsterdam meegevaren naar Texel waar hij met een kustvaarder richting Frankrijk zou zeilen. Maar de wind stond wekenlang niet gunstig en pas zes weken na zijn vertrek kon hij voet op Franse bodem zetten.

Ruim 100 jaar later kon de Hollandse Frankrijk-ganger dus per postkoets naar Frankrijk reizen, zelfs helemaal naar Marseille. Dat nam dan drie weken in beslag, als alles meezat overigens. Maar pech, zoals Schellinks ondervond, was eerder regel dan uitzondering.

Nog weer 100 jaar later, na de constructie van de Moerdijk-brug, kon men voor het eerst zonder de boot te nemen zuidwaarts trekken.

De aanvankelijk enkelsporige Moerdijkbrug was lange tijd met zijn 1500 meter de langste
brug van Europa (Foto: NS coll. NVSB).

En het is nog maar zo’n 30 jaar geleden dat men vanuit Nederland over ononderbroken snelwegen naar een geliefde streek in ‘la Douce’ kan zoeven, als je tenminste niet vast komt te staan rond Parijs of op de ‘Autoroute du Soleil’.

Niet alleen de indrukken en het ‘hoe’ van het vroeger reizen is fascinerend, ook de redenen waarom Frankrijk reisdoel was en nog steeds is, vormt een apart verhaal.
‘de Franse verleiding’ probeert dat allemaal geleidelijk in kaart te brengen. Ook uw vroegste reisherinneringen horen daarbij! En ze zijn meer dan welkom.

"Middellandse Zee ....! Zo blauw, zo blauw ... ", zong Toon Hermans aan het begin van de zestiger jaren. En nagenoeg iedere Nederlander herkende zich er in: sommigen met zoete herinneringen en de meesten met gekoesterde dromen. De Cote d'Azur!
Frankrijk heeft door de eeuwen heen ijzersterke beelden neergezet, 'merken' zouden we tegenwoordig zeggen. Voordat U duikt in een verder verleden hier wat indrukken van Saint-Tropez van eind jaren zestig: een mengeling van zon, strand, rijkdom, feest, gewaagdheid en beroemdheden, van Brigitte Bardot tot de Nederlandse Prince de Lignac.


Titelblad van de 'Wegh-wyser; Vertoonende De besonderste vremde vermaecklijckheden die in 't Reysen door Vranckryck en eenige aangrensende landen te sien zijn. Tot nut van al die gheneghen zijn om die Landtschappen te besichtigen. Den tweeden Druck, vermeerdert en verbetert. t' Amsterdam, By Nicolaes van Ravesteyn, op S. Anthonis Marckt, 1657.
(Coll. 'dFV')

Waarschijnlijk werd rond 1450 Frankrijk voor het eerst met enig detail in kaart gebracht. Omdat er geleidelijkaan weer wat meer gereisd werd, de geografische kennis toenam en er steeds meer postkoetsroutes kwamen, werden de kaarten steeds verfijnder. Hierboven het vignet en een deel van Aquitaine van de 56 X 48 cm. kaart van Jaillot uit 1745: de 'Gallia Postarum', oftewel 'Carte generale des Postes de France avec les Postes de Communication en Flandre, Haynaut, Artois, Alsace, Lombardie & c - tiree de l'original, que M. Jaillot a corrige & augmente l'an 1738. Mise au jour par les Heritiers de Homann. A. 1745'.
(Coll. 'dFV

Titelblad van de 14-de editie van 'Le Nouveau Conducteur de l'Etranger à Paris', door F. M. Marchant. Deze 'Nieuwe leidsman voor de vreemdeling in Parijs' beleefde tussen 1811 en 1851 29 edities.
(Coll. 'dFV')

Niet alleen qua vormgeving hadden de eerste moderne Nederlandse reisgidsen van P. B. Plantenga veel weg van de Duitse Baedekers, de Zutphense uitgever kopieerde ook ruimhartig de inhoud. In 1861 publiceerde hij een gids over 'De Rijn van Arnhem tot in Zwitserland', o.a. gevolgd door 'Parijs en Omstreken' (1862), 'België en Parijs en Omstreken' (1862), 'Noord-Duitschland' (1864) en 'Londen' (1868). Hierboven 'Parijs en Omstreken' uit 1862: "Naar eigen aanschouwing en naar de beste bronnen bewerkt."
(Coll. 'dFV')


Voor reacties, bijdragen en informatie:
info@defranseverleiding.nl


" De France natie is een lichthartich, geestich en los volck, wel en rat ter tael, daer beneffens vrientlyck en beleeft . . . ."
Vincent Laurensz van der Vinne, 1628 - 1702.

Opgetogen schreef in 1778 de Amsterdamse koopman Jacob Muhl tijdens zijn reis naar Parijs aan zijn neef en nichtje in Holland: "ik word luchtig, ik moet hier vandaan of zoude van zelfs dansen leeren". En hij spoorde hen aan ook eens een 'reijsje' te maken, al was het maar 'tot Brussel': "Het is een schande, dat een Hollander niets ziet. Laaten wij werken, dat is puijk, maar een weinig genot is ook prijselijk."

De vroegste sporen

Muhl moet een bijzonder man zijn geweest, want hij maakte de reis naar Parijs louter uit nieuwsgierigheid en voor zijn plezier. Bovendien ging hij met zijn eigen koets met de koetsier op de bok en vergezeld door een vriend en een bediende. Jacob Muhl was waarschijnlijk één van de eerste Hollandse 'toeristen' in Frankrijk, nog voordat voor zo'n reiziger een woord bestond. Parijs was inmiddels uitgegroeid tot het kosmopolitische hart van de Westerse wereld en trok per jaar zo'n 4000 buitenlanders, waaronder circa 200 Hollanders. Ter vergelijking: nu trekt de Parijse regio jaarlijks zo'n 22 miljoen buitenlandse bezoekers en Frankrijk als geheel ruim 76 miljoen!

Vanaf 1720 werd voor welgestelden weliswaar het 'Kleefsche reisje' een begrip en was een pleziertochtje naar het kuuroord Spa in opkomst, maar gedurende de daaraan voorgaande eeuwen werd er eigenlijk alleen gereisd uit dwingende of ingebeelde noodzaak: voor een bedevaart of een veldtocht, om diplomatie te bedrijven, te tekenen en te schilderen, om gezondheidsredenen, voor studie, om aan vervolging te ontkomen, voor een kruistocht of om handel te drijven.

De oudste sporen daarvan dateren, voorzover bekend, van halverwege de achtste eeuw: een koninklijke oorkonde uit 753 vermeldt het recht van 'Frisi' om handel te drijven op Saint Denis vlakbij Parijs en in 778 zou de Friese koning Gondebald begraven zijn in Belin ten zuiden van Bordeaux, nadat hij aan de zijde van Karel de Grote gesneuveld was in de strijd tegen de Moren. In wat misschien wel de eerste Europese reisgids ooit was, stond aangetekend dat uit het graf de zoetste geuren opstegen en zieken werden genezen.

De eerste gidsen

Die eerste reisgids is de 'Gids voor de pelgrim', die vanaf 1100 door monniken keer op keer met de hand voor bedevaartgangers werd overgeschreven. In de gids stonden verscheidene reisroutes door Frankrijk naar het Noordspaanse Santiago di Compostella. Pas in 1552, al weer lang na de uitvinding van de boekdrukkunst en in een tijd dat de eerste lompe koetsen werden gebouwd, verscheen in Parijs het eerste gedrukte reishandboek voor Frankrijk: 'La guide des chemins de France' van schrijver-uitgever Charles Estienne

Vanaf 1600 werden voor rijke patriciërszonen uit Holland de eerste 'reiswysers' gedrukt, die ze meenamen op hun 'groote tour' door Frankrijk en veelal ook door Italië. De soms jarenlange reis diende ter afsluiting van hun vorming, zodat ze na terugkomst de rol van hoogstaand burger op zich konden nemen.
Meestal ging het eerste stuk van de heenreis over zee naar Dieppe, Rouen, Nantes of La Rochelle om van daar over land de reis te voet of te paard voort te zetten, naar Parijs of naar de Loire-streek waar, vond men, het meest zuivere Frans werd gesproken en onderwezen.

In 1619 verscheen de eerste in het Nederlands gestelde 'Delitiae Galliae & Angliae. Ofte Lustigheden van Vranckrijck en Engheland', in 1647 opgevolgd door de nagenoeg identieke eerste 'Wegh-Wyser; Aenwijsende De besonderste vremde vermaecklijckheden die in 't Reysen door Vranckryck en eenige aangrensende landen te sien zijn. Tot nut van al die gheneghen zijn om die Landtschappen te besichtigen'.

De gidsjes werden gedrukt inclusief 'Reys-wetten' die de jongeling op het gebied van gebruiken en zeden moesten vormen en waarschuwen, niet alleen wat betreft het eigen gedrag, maar ook omtrent de zeden van andere volken:
"By de netste volckeren lette hy op Godtsdienst, kleedingh en daden; wat voor minnelijckheden en aerdigheden in haer ghebaurden en redenen wel staen. Dese sal hij na de gelegentheyt van plaets, tijt en persoon aennemen, en gebruycken. Hy zy dan anders ghemaniert by Spanjaerts, anders by Italianen, anders by Franschen. Want, gelijck yeder volck is, sulcke zeden heef’et. De Spanjaerts zijn in haer ommegangh hooghmoedigh: seer aerdigh dan seghen de Italianen, of de Venetianen: Che dire Spagnivolo, dire duolo. De Italianen zijn wijs. De Franschen haestigh. De Hooghduytschen voorsichtigh: soo zijn in haer redenen, de Hoogduytschen klaer en deftigh. De Spanjaerts net en snorkachtigh. De Franschen vleyend. En d’Italianen doortrapt."

Het eerste openbaar vervoer

In Frankrijk ontstond een uitgebreid netwerk van postkoetsverbindingen en in de Noordelijke Nederlanden een stelsel van trekschuitverbindingen. Toch bleven het eeuwenlang enkelingen die de moeizame reis zuidwaarts ondernamen: de tocht naar Parijs nam ongeveer een week in beslag en Marseille drie weken, als alles meezat . . . Pas toen de trein de oude vertrouwde postkoets en trekschuit verdrong, gingen geleidelijk wat meer mensen op reis. Met de opkomst van de trein verschenen in Engeland, Frankrijk en Duitsland de eerste 'moderne' reisgidsen, zoals rond 1830 de Duitse Baedeker's, de Engelse Murray's en de Franse Joanne's, in Nederland rond 1860 gevolgd door de reisgidsen van uitgever Plantenga in Zutphen.

Gidsjes zoals 'Le Nouveau Conducteur' (zie linkerkolom) bevatte weliswaar prachtige etsjes van monumentale gebouwen, maar meer 'volkse' beelden van het 'Parijse leven' waren zeldzaam. In 1842 verscheen een Nederlandse bewerking van een oorspronkelijk Frans boek onder de titel 'Parys en deszelfs omstreken, voorgesteld door de daguerréotype - Naar het Fransch van Victor Ratier - Letter en Druk van Elix & Co., te Amsterdam'. 't Bevat 59 steendrukken ('Chez Aubertgal Vero-Dodat') van 'straatbeelden' naar dageurréotypes, gemaakt door ene Ch. Philippon.
Hierboven ''Paris Daguerréotype No. 20 - Jardin des Plantes': "De Planten-tuin is een van de juweelen van Parijs. Hij is er ook de gezondste en bezienswaardigste wandelplaats." (Coll. 'dFV').

'Feesten van de vooruitgang'

Aanvankelijk reisden slechts enkele zeer welgestelde 'toeristen' zuidwaarts, naar Parijs vooral, maar later eveneens naar de Côte d'Azur om de grauwe winters in het noorden te ontvluchten. Ook kunstschilders, zoals de later bekend geworden Johan Jongkind en Jozef Israëls, trokken naar Frankrijk. Vooral de totstandkoming in 1875 van een directe spoorwegverbinding tussen het Nederland van boven de grote rivieren en het zuiden, betekende een doorbraak. En de steeds spectaculairder wordende Wereldtentoonstellingen in Parijs bleken enorme publiekstrekkers. Trok de Wereldtentoonstelling van 1855 iets meer dan 5 millioen bezoekers, die van 1889 waaraan de Eiffeltoren nog herinnert al ruim 32 millioen en die van 1900 bijna 51 millioen, wereldwijd wel te verstaan. Parijs werd 'de Lichtstad' en Montmartre, en later Pigalle, groeide uit tot de uitgaanscentra van de wereld, opgevolgd door achtereenvolgens Montparnasse en St. Germain-des Prés.


Naar het tweede en laatste deel van deze vogelvlucht