'de Franse Verleiding'
Nederlanders op reis naar het zuiden

Tour de France - 1646

Met Lambert Doomer en Willem Schellinks door de Loire-streek en naar Parijs

door
Erik Spaans
\ \

Lambert Doomer

Geboren: 11 februari 1624 (Amsterdam)
Gestorven: 2 juli 1700 (Amsterdam)

Schilder en tekenaar van landschappen, historiestukken en portretten uit de kring van Rembrandt. Zoon van de Amsterdamse lijstenmaker Herman Doomer en diens vrouw Baertje Martens die zich in 1640 door Rembrandt lieten portretteren. Reisde in 1646 met Willem Schellinks door het stroomgebied van de Loire en de Seine. Dommer heeft, getuige zijn tekeningen, ook reien langs de Rijn en in Duitsland gemaakt. Omstreeks 1669 vestigde hij zich in Alkmaar, waar hij lang zou blijven wonen. Hij schilderde daar onder meer groepsportretten van regenten en regentessen. Vanaf 1694 tot zijn dood in 1700 woonde en werkte hij weer in Amsterdam.

Willem Schellinks

Geboren: 1627 Gestorven: 11 oktober 1678 (Amsterdam)

Reislustig schilder van landschappen te Amsterdam. Tevens tekenaar, etser en dichter. Oudste zoon van een kleermaker uit het Limburgse Maasbree. Op 18-jarige leeftijd vertrok hij naar Amsterdam waar hij in de leer ging bij Karel Dujardin. Samen met Lambert Doomer maakte hij in 1646 een reis langs de Loire. In zijn jonge jaren droeg Schellinks enkele gedichten en etsen bij aan dichtbundels met volkse versjes. Na terugkeer van een lange reis als begeleider van de tourist Jacob Thierry trouwde hij in 1665 met de weduwe van de graveur Danckert Danckertsz. In zijn schilderijen toont Schellinks zich een navolger van Italianisanten als Jan Asselijn en Jan Both.


Hoewel Willem Schellinks wel vertrouwd was met de ongemakken van het reizen, moet hij bij aankomst in het Noord-Franse Caudebec-en-caux op een zomeravond in 1646 toch onaangenaam verrast zijn geweest. Er was een kermis gaande in het plaatsje en alle herbergen waren afgeladen met luidruchtige “dronke liede”. Schellinks en zijn reisgenoten besloten door te lopen naar een verderop gelegen posthuis in de hoop daar logies te kunnen krijgen. Maar dat bleek een misrekening: het gebouwtje was “deerlijk pover en desolaat” en volstrekt niet toegerust op het huisvesten van gasten. Van slapen kwam die nacht dan ook weinig terecht en het was nog zeer vroeg toen het gezelschap - bij maanlicht – weer vertrok. In een bos werden ze door hevig noodweer overvallen. Er zat weinig anders op dan doorweekt en verkleumd voort te sukkelen. De reisgezellen waren zeer beducht voor rovers en verscholen zich in de struiken toen ze een groepje ruiters hoorden naderen. Nadat Schellinks opgelucht had vastgesteld dat het geen rovers waren, kon hij niet nalaten “uit boerterij” een geintje uit te halen. Hij maakte de argeloze ruiters aan het schrikken door uit het niets “Qui va la?” (‘wie gaat daar?’) te roepen. Ze gaven hun paarden onmiddellijk de sporen en gingen er halsoverkop vandoor.

Lambert Doomer - Nantes vanaf de rots van de Hermitage (Metropolitan Museum, New York).

Het is een anekdote die een aardig inkijkje biedt in de wereld van de zeventiende-eeuwse reiziger. Ook de hedendaagse toerist zal er vermoedelijk wel iets in herkennen. Verhalen over vergeefse zoektochten naar onderdak of verkleumde wandeltochten in de regen, maken ook deel uit van het anekdotisch repertoire van de huidige vakantieganger.
Natuurlijk zijn er verschillen. De zeventiende-eeuwse reiziger beschikte niet over gemotoriseerd vervoer. Schellinks en zijn tijdgenoten maakten gebruik van paard, koets, karos, schip, veerboot of (trek)schuit en waren verder aangewezen op hun “ossenledere zoolen”. Ook was het in de zeventiende eeuw – veel meer dan tegenwoordig - zaak om vóór zonsondergang op de plaats van bestemming te arriveren. Reizen in het donker bracht talloze complicaties met zich mee. De doorgaans toch al moeilijk begaanbare wegen waren immers onverlicht. Bovendien sloten steden hun poorten bij het vallen van de avond. En verder was het risico bewapende rovers tegen het lijf te lopen verre van denkbeeldig.
Dat had Schellinks in de voorgaande weken ook al ondervonden. Na vertrek uit Orléans voerde de reis – per koets - door een bos waar “vagebonde” op de loer lagen. De voerlieden werden “met krakeel en schelden” bejegend en de situatie dreigde uit de hand te lopen toen één van de amokmakers een zweepslag incasseerde en er wapens werden getrokken. Dat het met een sisser afliep, schreef Schellinks toe aan het feit dat hij deel uitmaakte van een groot en goed bewapend gezelschap: “wel versien met degens, pistoolen en lange roers [= geweren].” Een dag later maakte Schellinks in zijn reisverslag melding van twee rovers die kort tevoren geradbraakt waren. Hun stoffelijke overschotten waren langs de weg naar Parijs opgehangen als waarschuwing aan anderen.

Willem Schellinks is één van de weinige schilders uit de Gouden Eeuw over wiens reizen we uitvoerig geïnformeerd zijn. Bovenstaande details zijn afkomstig uit het verslag van de tocht die hij in de zomer van 1646 met collega Lambert Doomer door Frankrijk maakte. Een veel langere reis ondernam Schellinks later in de jaren 1661 – ’65 als begeleider van een jonge ‘tourist’. Die tocht zou hem door Engeland, Frankrijk, Italië, Malta, Zwitserland en Duitsland voeren en ook van deze reis is een omvangrijk verslag bewaard gebleven. De enige Nederlandse tijdgenoot van Schellinks die een vergelijkbaar verslag heeft nagelaten, is de Haarlemse stilleven- en portretschilder Vincent Laurensz. van der Vinne. Deze maakte in de jaren 1652 – ’55 een reis door Duitsland, Zwitserland en Frankrijk. Bij thuiskomst werkte Van der Vinne zijn aantekeningen uit in een lijvig ‘memoriael’.

Honderden andere Nederlandse kunstenaars zijn in de loop van de zeventiende eeuw eveneneens “door reyslust bevangen” geraakt. In de schildersbiografiën van Arnold Houbraken en Jacob Campo Weyerman wemelt het van de anekdotes over hun avonturen en werkzaamheden in het buitenland. Aanvullende informatie treffen we in de archieven. Dat begint eigenlijk al vóór aanvang van de reis als menigeen een testament laat opmaken. Dat zo’n maatregel verre van overbodig was, moge blijken uit de vele namen van Nederlandse schilders die we in buitenlandse begrafenisregisters tegenkomen. Verder getuigen rekeningen, gerechtelijke documenten (men misdroeg zich nogal eens op vreemde bodem), parochiale registers, zakelijke contracten en (incidenteel) brieven van de buitenlandse omzwervingen van Nederlandse schilders. En tekeningen natuurlijk! Weinig schilders zullen aan een reis zijn begonnen zonder schetsboek, potlood en krijt mee te nemen. Zo kon onderweg alles worden vastgelegd wat de moeite waard werd bevonden: landschappen, stadsgezichten, markante volktypes, gebouwen, planten, dieren, sculpturen, ornamenten of schilderijen van klassieke en ‘moderne’ meesters.

Lambert Doomer - Wijnpers in een schuur in de omgeving van Nantes (Fitzwilliam Museum, Cambridge).

Dergelijke schetsen vormden een bron waaruit de kunstenaar lang kon blijven putten. Gerrit Berckheyde, schilder van Haarlemse en Amsterdamse stadstaferelen, liet na terugkeer van een reis (met zijn broer Job) door het Rijngebied zijn schetsen ruim tien jaar onbenut. Pas in de jaren ’70 begon hij opeens Keulse stadsgezichten te schilderen. Voor Lambert Doomer - de reisgezel van Schellinks – geldt iets vergelijkbaars. De schetsen die hij in Frankrijk met zwart krijt maakte, werden (veel) later in de beslotenheid van het atelier opnieuw ter hand genomen en daar in uitvoeriger composities uitgewerkt.

Schellinks en Doomer kenden elkaar uit het Amsterdamse schildersmilieu. De vader van Doomer had daar een werkplaats had waar schilderijlijsten werden gemaakt. Voor ze op pad gingen, zullen ze praktische adviezen hebben ingewonnen bij collega’s. Heel wat kunstenaars hadden Frankrijk bereisd. Parijs – destijds de grootste stad ten Noorden van de Alpen - was een populaire reisbestemming, maar ook Rouen, Orléans, Bordeaux, Lyon en Aix-en-Provence werden door kunstenaars bezocht. Voor veel schilders vormde Frankrijk een tussenhalte op doorreis naar het Zuiden, want Italië – en dan met name Rome – was vaak het hoofddoel. Karel van Mander, die zélf in de jaren 1574 – ‘77 Rome had bezocht, stelt in zijn ‘Schilderboeck’ (1604) dat kunstenaars die hun leerperiode afsloten met een verblijf in Italië, bij terugkeer een stijl hadden ontwikkeld “welke de gebruikelijke oude Nederlandsche manier in haar schoonheid en voortreffelijkheid te boven gaat.” Ook Constantijn Huygens zou zich in vergelijkbare bewoordingen uitlaten in een autobiografisch manuscript waarin hij onder meer Rembrandt en Jan Lievens ter sprake brengt. Huygens betreurt het dat deze "verder zo voor-treffe-lijke jongemannen" niet de moeite willen nemen een paar maanden vrij te maken om naar Italië te reizen en daar de kunstschatten en klassieke bouw-werken te bezichtigen. Huygens verzucht dat zo’n reis het enige is dat ontbreekt "om hun kunst te vervolmaken”

Rome gold als een kunsthistorisch paradijs. Jonge kunstenaars konden er de bouwkunst en sculpturen uit de klassieke Oudheid bewonderen, de werken van Michelangelo, Rafaël en al die andere grote meesters van de Renaissance bestuderen (en natekenen) en zich in één moeite door op de hoogte stellen van ‘moderne’ kunst. Een groepje Utrechtse schilders had aan het begin van de jaren ’20 aldus het clair obscur van Caravaggio in de Republiek geïmporteerd. In de loop van de zeventiende eeuw begon het ‘tourisme’ steeds meer opgang te maken. Touristen waren jongemannen van voorname komaf, die ter vervolmaking van hun opvoeding een buitenlandse reis (‘Grand Tour’) ondernamen. Frankrijk en Italië werden daarbij zelden overgeslagen. Naast het bezichtigen van bezienswaardigheden werd onderweg een lesprogramma afgewerkt waarbij men zich bekwaamde in schermen, dansen, paardrijden en de Franse taal. Dat menige Tourist er een omweg voor over had om ook Venetië te bezoeken, kwam niet zozeer voort uit educatieve motieven alswel uit het verlangen zich daar in het carnaval te storten. Hoewel het reisgedrag van kunstenaars en touristen niet identiek is, zijn er natuurlijk overeenkomsten. Ze kozen veelal identieke routes en troffen elkaar ook regelmatig als reisgezel.

Lambert Doomer - Een herberg te Monbert (Rijksmuseum, Amsterdam).

In zeventiende-eeuwse geschriften wordt er voortdurend op gehamerd hoe kunstenaars die Italië bezochten, zich met het “oeffenen naar de beste voorbeelden” bezighielden. Uit de gedragingen van kunstenaars wordt echter duidelijk dat studie niet de enige reden was om op reis te gaan. Tot op zekere hoogte moet het reizen – net als bij de Touristen – ook een doel op zich zijn geweest. Het vervolmaken van de artistieke ontwikkeling was een belangrijke doelstelling voor jonge schilders. Maar zou hun instelling verder noemenswaardig hebben verschild van die van hedendaagse backpackers die uit nieuwsgierigheid de wereld in trekken?

Dat schilders zich ook met minder prozaïsche zaken bezighielden, weten we onder meer van de zogeheten ‘Bentvogels’ te Rome. Dit schildersgenootschap hield het midden tussen een jolige studentenvereniging en een vakbond. Bij aankomst in Rome werd een welkomstmaaltijd voor de nieuweling georganiseerd die (uiteraard voor zijn rekening) rijkelijk met wijn werd overgoten. De ‘groene’ werd vervolgens in een studentikoos ritueel ‘gedoopt’ en kreeg een ‘bentnaam’ toebedeeld. Voordeel van zo’n inwijding was dat de zojuist gearriveerde schilder snel wegwijs werd gemaakt in Rome. De leden hielpen elkaar met het vinden van onderdak en werk.
Waren Schellinks en Doomer misschien óók van plan geweest hun reis voort te zetten richting Italië? Schellinks noteerde te Parijs een intrigerend zinnetje in zijn reisverslag: “Hadde niet anders gedacht als om hooger op na Lions te treken, doch wiert ons afgeraden.”
Lyon was voor Italiëgangers een belangrijk tussenstation. Van daaruit kon Italië in één à twee weken tijd worden bereikt. We weten niet waarom die voorgenomen reis naar Lyon werd afgeblazen. Oorlogsdreiging misschien? Er werd anno 1646 op allerlei plaatsen in Europa oorlog gevoerd. Frankrijk vocht een oorlog met Spanje deels uit in de Zuidelijke Nederlanden en die strijd komt ook in het reisverslag van Schellinks af en toe ter sprake. Over de Porte des toutes Saints in Angers, wordt gemeld dat die nog altijd vol Spanjaarden zat die na de slag van Rocroi (1643) gevangen waren genomen. En tijdens de terugreis in oktober was op zee “ ’t schieten voor Duijnkerken” te horen. Maar uitgerekend in het Zuiden van Frankrijk was het in de zomer van 1646 betrekkelijk rustig. Misschien werden de reisplannen wel doorkruist door onmin tussen de reisgenoten. Uit het verslag van Schellinks valt althans op te maken dat ze in september op elkaar uitgekeken waren geraakt. Niet zo vreemd als je bedenkt dat ze toen ruim vier maanden met elkaar hadden opgetrokken.

Schellinks had zich op 17 mei 1646 in Nantes bij Doomer gevoegd. De reis uit Nederland had hem maarliefst zes weken gekost, vooral omdat zijn schip eindeloos op de rede van Texel op gunstig weer had moeten wachten. Doomer was hem vooruit gereisd en verbleef al enige tijd bij zijn broer Maarten die als koopman in Nantes werkzaam was.
Na aankomst was de door koortsaanvallen geplaagde Schellinks nog een tijdje aan bed gekluisterd, maar aan het einde van de maand moet hij zich beter hebben gevoeld. Op 1 juni was hij te Nantes althans getuige van een tournooi waarbij de deelnemers vanuit boten met een lans een houten bord moesten zien te raken dat aan een paal in de Loire was bevestigd. Het schouwspel werd vanaf de oever met “groot gejuijg” door het publiek gevolgd, vooral vanwege de “oubollige Cabriolle en Sprongen” die de deelnemers maakten.

Willem Schellinks - Processie bij een kinderdoop (Kupferstichkabinett, Berlin).

Op 3 juli begonnen Schellinks en Doomer aan de reis die hen stroomopwaarsts langs de Loire tot Orléans zou brengen en vandaar nog naar Parijs, Rouen en Le Havre. Schellinks was geen begenadigd ruiter. Hij raakte meteen al achterop en zijn paard keerde “geswind zijn gat om” en keerde terug naar de stal. Bij een hernieuwde poging met een paard dat “de wegh selfs wel wist” kon Schellinks zich amper in het zadel houden. Zijn valies en zadel kwamen op de buik van het paard te hangen en toen hij zich in Mauves (even buiten Nantes) eindelijk bij zijn reisgenoten voegde, maakten die zich vrolijk om de aanblik van de ongelukkige ruiter. Wellicht heeft deze ervaring ertoe bijgedragen dat Schellinks gedurende de rest van zijn verblijf niet meer te paard zou reizen.
Onderweg werden voortdurend kerken, kapellen en kastelen bezocht. In een voorstadje van Saumur zagen ze een bron met geneeskrachtige werking die grote aantrekkingskracht uitoefende op kreupelen, zieken en invaliden die hier water kwamen drinken. In de naastgelegen kerk trof Schellinks een bonte verzameling “stelten, hant-kruken, (-) balke, kruijwagens en diergelijkx meer” die door genezen patiënten waren achtergelaten. Nabij Tours bezochten ze grotten (caves Gouttières) waar Schellinks zich verwonderde over het proces waarbij “het gestadigh afdruijpende water door de koude locht in Steen verandert.” Verder zou Schellinks gedurende de hele reis voortdurend melding blijven maken van de schilderijen, beeldhouwerken en monumenten die hij te zien kreeg. Met name van de kunstwerken in het paleis te Richelieu was hij onder de indruk. Hij maakt in zijn verslag onder meer melding van schilderijen van Correggio, Veronese, Reni, Van Dijck, Rubens, Michelangelo, Rafaël en was erg te spreken over een ‘Leeuwenjacht’ van Rubens en een ‘Paart dat van de Wolven wert verscheurt’ (“uittermaten werkelijk”) van Frans Snijders.
Schellinks en Doomer bekeken steeds alles wat “waardigh” was en haalden regelmatig hun schetsboeken tevoorschijn om tekeningen te maken. Onderweg liepen ze regelmatig landgenoten tegen het lijf met wie ze zich in de herberg “lustigh”vermaakten of een stukje optrokken. Het grootste deel van de reis werd te voet afgelegd, veelal over de dijkjes langs de Loire. Over Richelieu meldt Schellinks dat de straten er goed geplaveid zijn, maar dat is een uitzondering. Op andere plaatsen in het verslag beklaagt hij zich over de moeizame voortgang. Ander vervoer was overigens niet altijd een verbetering. De “klijne Revier boot” die ze in twee dagen naar Orléans zou brengen, moest voortdurend over zandplaten heen gesleept worden en was alles behalve comfortabel. Toen Schellinks en Doomer na een dag varen besloten toch maar weer te voet verder te gaan, ontstond er ruzie met de ‘barquiers’ die hun geld opeisten. Eén van hen greep zelfs naar de degen van Doomer en het “zoude op slaan en vechten uitgekomen hebbe” als de herbergier niet tussenbeide was gekomen. Uiteindelijk werden de roeiers met een ‘drink--pennink’ tevreden gesteld.
Bij aankomst in een nieuwe stad werd in de regel overnacht in een herberg, maar eigenlijk was dat te duur zodat ze bij langer verblijf steeds op zoek gingen naar goedkoper logies. Daarbij maakten ze gebruik van namen of adressen die uit Nederland waren meegenomen. Karakteristiek is de gang van zaken in Parijs waar ze bij aankomst op 10 augustus overnachtten in een “treffelijke herbergh”. Een dag later had Doomer al een ander adres geregeld en namen ze hun intrek bij een kennis van zijn vader; een ebbenhoutwerker in de Faubourg Saint Antoine.

Schellinks hoopte in Parijs de schilders Jan Asselijn en Nicolaas de Helt Stockade te ontmoeten, die hem “gerecomandeerd” waren door een landgenoot. Deze twee kunstenaars waren na een lang verblijf in Rome weer noordwaarts gereisd en in 1645 tijdens een tussenstop in Lyon tegelijkertijd getrouwd (met twee zusters) alvorens naar Parijs te trekken. Daar hadden ze in 1646 meegewerkt aan de decoratie van het Hôtel van Nicolas van Lambert de Thorigny, de president van de Chambre des Comptes . Maar kort voor de aankomst van Schellinks waren Asselijn en De Helt Stockade met hun respectievelijke echtgenotes uit Parijs vertroken.

Begin september vertrokken Schellinks en Doomer naar Rouen, waar ze een schip hoopten te vinden dat hen terug naar Nederland zou brengen. Hier kreeg Schellinks onenigheid met Doomer die “met alle kracht zijn eijgen zin” doordrukte, zich “korzelkoppigh” gedroeg en hem zonder reijsgeld achterliet. Twee Nederlanders die Schellinks al eerder had ontmoet, sprongen bij en zouden hem gedurende het restant van de reis blijven vergezellen. Ze bleven in Rouen geduldig op een schip wachtten en doodden de tijd met het spelen van paille-maille, een soort golf. Uiteindelijk werd besloten naar Le Havre te lopen waar wél Hollandse schepen in de haven lagen. Toen Schellinks op 27 september aan boord ging van het oorlogsschip van de Rotterdamse kapitein Johan de Liefde, trof hij daar ook Doomer weer aan. Voor de rede liggend werden ze een paar dagen later geteisterd door een hevige storm. Schellinks vreesde zelfs dat het schip ten onder zou gaan “door dien zo grouwelijk veel water door de luijke in storte”. Uiteindelijk ging alleen een sloep verloren en op 1 oktober kon de terugreis een aanvang nemen. Na een week kwam Zeeland in zicht en op 10 oktober zette Schellinks in Rotterdam voet aan wal. Daar nam hij afscheid van zijn reisgenoten en vertrok alleen naar Amsterdam. Over Doomer – die toch ook aan boord moet zijn geweest – wordt met geen woord meer gerept.

Lambert Doomer - De Grot der Zevenslapers in de abdij van Marmoetier (Prentenkabinet, Leiden).

Schellinks is in 1646 een half jaar op reis geweest. Doomer – die eerder in Nantes arriveerde – vermoedelijk iets langer. Een aanzienlijk deel van de tijd werd vermorst met wachten. De heenreis kostte Schellinks zes weken; de terugreis een kleine maand. Reizen over land – er was een goede koets-verbinding via Antwerpen, Brussel en Lille – zou veel sneller zijn geweest, maar anno 1646 was dat geen optie. Er woedde oorlog in de Zuidelijke Nederlanden en op het Vlaamse platteland wemelde het van de soldaten die rovend en plunderend van dorp naar dorp trokken. Zo werd de beschikbaarheid van reisroutes en vervoermiddelen destijds wel vaker gedicteerd door oorlogen. Dat er in de eerste helft van de zeventiende eeuw zo veelvuldig via Frankrijk werd gereisd, had onder meer te maken met de Dertigjarige Oorlog (1618 – 1648) die het reisverkeer in (en door) Duitsland goeddeels lam legde.

Het Loire-gebied was populair bij touristen die zich hier graag lieten fêteren. Dat Schellinks en Doomer in Amboise “eenige hovelinge” troffen die zich op de kaatsbaan vermaakten, was dan ook geen toeval. Zelf moesten de schilders zich met minder luxe tevreden stellen getuige het feit dat herbergen te “graveeligh” waren om langer dan één nacht in te verblijven. Over de financiële beslommeringen van reizende kunstenaars valt bij Houbraken een en ander te lezen. Naar aanleiding van de vele reizen die Gillis Schagen (een schilder van voorname komaf) zich kon veroorloven, merkt hij jaloers op dat anderen zulke “speelreizen” ook wel zouden willen maken, “zoo zy verzekert waren dat Jupiter hun by wylen wat goude schyven ongetelt (-) in de vuist zou stoppen, om de waarden te betalen.”
En over de reis die Johannes Vorsterman door Frankrijk maakte, meldt Houbraken dat hij op grote voet leefde en er in korte tijd de erfenis van zijn ouders doorheen draaide. Vorsterman wilde niet de indruk wekken "zyn konst voor gelt te oeffenen" hoewel dat volgens Houbraken, eigenlijk wel het geval was. Het statusbewustzijn van sommige kunstenaars weerhield ze ervan toe te geven dat schilderen een vorm van broodwinning was. Ook bij Schellinks lijkt dit een gevoelig punt. En dat terwijl schilders met een minder goed gevulde beurs zich toch echt genoodzaakt zagen “op hun konst” te reizen en onderweg voor particulieren, of 'keelbeulen' (= kunsthandelaren) te werken. Of Schellinks en Doomer dat ook gedaan hebben, wordt niet helemaal duidelijk. In Parijs schilderden ze beide “een stukje” voor een kunsthandelaar (“Monsr. Fardinand”), maar als we Schellinks moeten geloven deden ze dat louter uit tijdverdrijf en bleef hun honorering beperkt tot enkele boekjes met prenten.

Daar zou Vincent van der Vinne zich niet tevreden mee hebben gesteld. Tijdens zijn omzwervingen door Duitsland, Zwitserland en Frankrijk lijkt deze Haarlemmer een lijstje met kunstenaars te hebben afgewerkt in wiens atelier hij voor kortere of langere tijd werkzaam was. Daarnaast ‘kluste’ hij bij door onderweg kamers, zolders of uithangborden te beschilderen of portretopdrachten aan te nemen. Toen Van der Vinne in december 1654 in Tournon arriveerde, kreeg hij daar zóveel por-tretopdrachten van de lokale adel, dat hij zich genoodzaakt zag naar Lyon te reizen om daar nieuwe verf te kopen. In het reisverslag van Schellinks komt eigenlijk maar één duidelijk geval voor waaruit blijkt dat ook hij zijn penselen onderweg ter hand nam om wat bij te verdienen. Tijdens reis van Texel naar Rouen beschilderde hij het interieur van de kajuit van de kapitein met landschappen. In ruil daarvoor hoefde hij de kosten van de overtocht niet te betalen. Schellinks wijst ons er zekerheidshalve op dat hij die klus “om tijd-kortinge” had aangenomen. Het reisverslag dat Schellinks heeft nagelaten is een belangrijke kunsthistorische bron. En zijn aantekeningen krijgen een aanzienlijke meerwaarde als we ze bezien in samenhang met de nauwgezette tekeningen die Lambert Doomer op diezelfde reis heeft gemaakt. Deze unieke combinatie van geschreven én getekend bronnenmateriaal stelt de 21e-eeuwse toeschouwer in staat de reis die zij 360 jaar geleden maakten, mee te beleven alsof we een avondje vakantiedia’s bij ze komen kijken.


Deze tekst van Erik Spaans verscheen eerder in 'Tour de France 1646, Le Val de Loire en dessins / De Loire vallei getekend door Rembrandts tijdgenoten', in 2006 uitgegeven door de Fondation Custodia t.g.v. de achtereenvolgende exposities in het Institut Néerlandais te Parijs (nov.-dec.'06) en het Rembrandthuis te Amsterdam (16 dec.'06 tot 11 feb. '07).

Medio april 2007 verschijnt een uitvoerige catalogus waarin de Franse reizen van Hollandse zeventiende eeuwse kunstenaars centraal staan:
Voyages en France - Les dessinateurs hollandais au siècle de Rembrandt, door Stijn Alsteens en Hans Buijs.
(Contact: www.fondationcustodia.fr of (33)(0)1 4705 7519).


Voor reacties, bijdragen en informatie: info@defranseverleiding.nl

Terug naar de hoofdpagina van
'de Franse Verleiding'